Een aandeelhouder stelt de bestuurder van een besloten vennootschap persoonlijk aansprakelijk voor zijn schade, maar licht dit niet toe op een zitting omdat hij gedetineerd is. Dat is geen excuus, vindt de rechtbank: gedetineerden kunnen een verzoek indienen om naar de rechtszitting te komen.
Een besloten vennootschap heeft twee aandeelhouders: één woont in België (voor 25%), de ander is bestuurder van de BV (voor 75%). Op enig moment verkoopt de BV haar bedrijfspand. De Belgische aandeelhouder vindt dit bedrag niet marktconform en zegt daardoor schade te hebben geleden. Hij stelt de BV en de bestuurder daarvoor aansprakelijk.
Persoonlijke aansprakelijkheid
Uitgangspunt is dat alleen de BV aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade, als die BV een verbintenis niet nakomt of een onrechtmatige daad pleegt. Onder bijzondere omstandigheden kan ook een bestuurder aansprakelijk zijn: als deze persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dat is aan de orde als die bestuurder bij het aangaan van een verbintenis wist of had behoren te begrijpen dat de rechtspersoon niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden.
Gedetineerd
De Belgische aandeelhouder stelt in de dagvaarding dat de bestuurder in strijd met zorgvuldigheidsnormen heeft gehandeld. Maar volgens de bestuurder was de verkoop van het bedrijfspand noodzakelijk om financiële redenen. Dit gebeurde zelfs op initiatief van de Belgische aandeelhouder, die ook de kopers zou hebben aangedragen en de koopprijs heeft bepaald, zo stelt hij. De Belg stelt dat hij op de zitting zijn visie op de zaak niet kon toelichten, omdat hij gedetineerd was. Maar dat laatste vindt de rechtbank geen excuus: de man had een verzoek kunnen indienen om naar de rechtbank te worden vervoerd, om zo de behandeling van de zaak bij te wonen. Dit heeft hij niet gedaan en dat is zijn risico. Nu kan hij de stellingen van de bestuurder niet betwisten.
Mondelinge behandeling
De rechtbank benadrukt dat het doel van een mondelinge behandeling is dat partijen, bij voorkeur op basis van eigen kennis, informatie over hun zaak verstrekken. Hier was dat extra belangrijk, omdat de dagvaarding zeer summier is en nauwelijks onderbouwing bevat van de stellingen van de Belg – dat de bestuurder onzorgvuldig zou hebben gehandeld. Van beide partijen wordt verwacht dat zij informatie verschaffen over de feitelijke gang van zaken rond de verkoop. De Belg heeft hieraan op geen enkele wijze voldaan: de dagvaarding was summier, hij heeft geen schriftelijke verklaringen overgelegd en hij is niet op zitting verschenen hoewel dat wel mogelijk was. In het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat dat de rechter uit het niet-verschijnen van een partij de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.
Vorderingen afgewezen
De rechtbank oordeelt dat de Belg – nu hij de gang van zaken rond de verkoop van het bedrijfspand niet heeft betwist – zijn vorderingen onvoldoende feitelijk en juridisch heeft onderbouwd. De rechtbank wijst de vorderingen tegen de bestuurder af. En ook tegen de BV: nergens heeft de Belg onderbouwd waaruit het onrechtmatige handelen van de BV bestaat.